Geschiedenis

De Turfvaart

Schepen zoals o.a. de “Luctor et Emergo” werden begin 1900 veelal ingezet in de turfvaart.
Turf is gedroogd veen wat als brandstof kan worden gebruikt en in die jaren vele malen goedkoper was dan steenkool.
Zelfs in de middeleeuwen werd het gedroogde veen gebruikt. men draaide ballen van het natte veen liet het drogen om later als brandstof te gebruiken. Veen is een metersdikke laag van afgestorven bomen en planten wat zich al honderden jaren heeft opgebouwd. Men bedacht dat men deze laag kon uitsteken of uitbaggeren om later te laten drogen.  Het drogen gebeurde op grote akkers. de zgn. legakkers. Eenmaal gedroogd werd de turf met platbodemschepen vervoerd naar de gebruiker.
Door gegraven kanalen,welke zeer ondiep waren,konden de platbodems de turf afvoeren richting de grote wateren om het vervolgens door heel nederland en Belgie te transporteren.

In Nederland,Belgie en andere europese landen was turf de belangrijkste brandstof tot de komst van het steenkool.
Ook later bleef turf belangrijk als brandstof omdat het vele malen goedkoper was dan andere brandstoffen. In de grote steden was er een enorme behoefte aan turf.Om aan deze vraag te kunnen voldoen werd er veel veen weggebaggerd onder de waterspiegel.
zo ontstonden onder andere nieuwkoopse plassen en de vinkeveense plassen. Door de veenwinning kon het haarlemmermeer uitgroeien tot het grootste meer in holland.
Veel plassen zijn later ingepolderd of tot recreatiegebied of natuurreservaat ingericht.

In Noordoost-Nederland en het aangrenzende Duitse gebied lag een uitgestrekt moerasgebied, het Bourtangermoeras. Door het vanaf 1600 vanuit de stad Groningen stichten van de zogenoemde Groninger Veenkoloniën, werd het gebied stap voor stap ontdaan van de veenlaag. De gewonnen turf werd voor een groot gedeelte naar Holland verscheept. Het gebied maakte men na de vervening geschikt voor de akkerbouw.

Dit proces is in het Drentse deel van het hoogveengebied doorgegaan tot ongeveer 1980, toen ten oosten van Emmen de laatste commerciële vervening gesloten werd. Turf als brandstof was al eerder verdrongen door andere fossiele energiebronnen als olie en gas. De veenwinning was na 1950 nog wel van belang voor de productie van potgrond en actieve kool. Nog steeds wordt hiervoor turf als grondstof gebruikt, alleen wordt het nu elders in Europa gewonnen. Duitsland en in toenemende mate de Baltische landen, zijn de belangrijkste leveranciers.

Het vervoer van o.a. het eerder genoemde turf werd gedaan door platbodemschepen. Een platbodem is – strikt genomen – een schip met een platte onderkant (bodem), maar meestal worden hiermee de historische zeilvaartuigen uit de lage landen aangeduid die geen, of nagenoeg geen kiel bezitten. Een platbodem wordt ook wel – vooral in vroeger jaren – aangeduid als platboomd vaartuig
.De kenmerken zijn een in de breedte gezien platte of nagenoeg platte bodem en een kiel die niet of nauwelijks onder het vlak uitsteekt. Een platbodem heeft in plaats van een kiel doorgaans zijzwaarden.

Platbodems hebben weinig diepgang en ze kunnen probleemloos droogvallen. In getijdewateren kunnen zij met laagwater op een zandbank liggend hoogwater afwachten.

De Luctor et Emergo

Het schip “Luctor et Emergo” liep in 1926 van stapel van de werf “Remkes Bodewes” te Veendam onder de naam “Risico”.
De “Risico” werd op 8 april 1927 te boek gesteld,in deel 1,nummer 261, ten kantore van de scheepsbewijzen te Groningen met brandmerk 261 B GRON 1927 en ten name van de heer Albert Foekens,destijds schipper en gedomicilieerd te Amsterdam, overgeschreven ten gemelde kantore der scheepsbewijzen op 10 maart 1956, in deel 58, nummer 8, voor notaris mr. P.H. Velsen te Sappemeer.

Dhr. Foekens overleed te Amsterdam op 11 oktober 1962.
De Vrouw van de heer Foekens, mevrouw Sjoukje Bakker, verkreeg uit de erfenis het stijlstevenaakschip genaamd “Risico” en daarmee het levenslang vruchtgebruik. Bovenop de ruimen werd,medio 1963, een opbouw geplaats zodat mw. Foekens kon wonen op het voormalige vrachtschip alwaar ze met haar man op voer. De “Risico” lag vanaf toen afgemeerd in Amsterdam alwaar ze beeldbepalend was zoals te zien op de diverse foto’s.

Niet veel later, werd de “Risico” opgekocht door de heer N. Vuur, handelaar te Amsterdam.

Uit foto’s kunnen we opmaken dat de “Risico” nog enkele jaren in Amsterdam heeft gelegen. Vanaf 1970 verdwijnt het schip van de radar. Stukje bij beetje verzamelen we informatie over de periode na 1970 maar we zijn zeker nog niet compleet. Vanaf 2010 is het schip in België en naar wat we terug kunnen vinden in de stukken stond in 2011 het schip op naam van de heer van der Elst uit st.-Job in ‘t Goor, onder de naam Fortunando. De heer Van der Elst heeft onder zijn beheer in zoverre het schip in dezelfde staat gelaten dat hij wel een stuurhut heeft geplaatst zoals deze er nu op staat.

Op 31 augustus 2011 wordt de “Fortunando” verkocht aan de heer Vleminckx uit Willebroek. De bedoeling was om het schip dusdanig in te timmeren dat ze er na hun pensionering mee door Frankrijk konden varen. Echter, na augustus 2011, bleef de “Fortunando”, inmiddels omgedoopt tot “Brenjo”, liggen in een kanaaltje bij st.-Job in ‘t Goor te Belgie.

Medio augustus 2016 kwam ik, na een tip, terecht in st.Job en zag dit stijlstevenaakschip liggen in een kanaaltje. Het schip was geroest en lag er al duidelijk een hele lange tijd. Het was een casco want alleen de motor en het stuur zaten er nog in.
Van binnen was alles goed geconserveerd en ingesmeerd met schapenvet maar de onderkant konden we niet beoordelen en zou, naar het zich aan liet zien, niet veel beter zijn dan de eerste trieste aanblik. De motor, een oude Daf, wisten we met een setje nieuwe accu’s zo weer aan de praat te krijgen. En…. er kwam nog een oude, half vergane, map tevoorschijn met oude aktes, foto’s en diverse oude documenten. Ik realiseerde me dat hier een stuk Nederlandse geschiedenis lag dat, als we niet zouden ingrijpen, hier zou vergaan en op de oud ijzer hoop zou belanden.

De toenmalige eigenaren zagen er niks meer in. Het was een blok aan het been geworden. We namen het schip over en niet veel later heb ik samen met een bevriende schipper de “Brenjo” opgehaald.
Onderweg stuurde ik foto’s naar de jachthaven in Hellevoetsluis omdat we daar een plekje wilden. Het antwoord van de havenmeester was,”dat schip komt er zo niet in, dat moet eerst geverfd”.
Nou, dat hebben we dan ook maar gedaan. Tijdens de reis van België naar Nederland hebben we het schip schoon gemaakt, in de primer gezet en vervolgend wit geverfd. Toen we in Hellevoetsluis aankwamen hadden we een prachtig, sereen wit schip en kregen aldus een ligplaats.

Begin 2017 lieten we een keurmeester aan boord komen want ieder schip boven de 20 meter moet gekeurd zijn daar het anders als woonboot zou worden aangemerkt en nooit meer zou varen.
Na een gedegen overleg met diverse partijen en niet in de laatste plaats de heer Saman, voormalig marineman en getrouwd met een schippersdochter welke vroeger voeren op de “Luctor et Emergo” te Zierikzee, besloten we het schip gereed te maken voor het CBB keur.

Kosten nog moeite gespaard zijn we, zoals ik toen al zei “als de donder…” , aan de slag gegaan. We zijn gestart met de intimmering waarbij we het authentieke gevoel hebben laten zegevieren. De periode 1926 tot 1963 moest terug te zijn zijn in de inrichting.
Niet altijd even gemakkelijk omdat juist voor zo’n CBB keur er allerlei moderniteiten moeten worden aangebracht. Toch zijn we er aardig in geslaagd en we besloten een afspraak te maken bij een werf.

En..natuurlijk…hoe nostalgisch wil je het hebben. we gingen dokken in het droogdok “Jan Blancken” te Hellevoetsluis. Prachtig hoe dat gaat en nog vreemder te beseffen dat zelf Michiel de Ruijter hier z’n schip liet dokken. Eenmaal in het dok was er nogal wat werk te verzetten. Gelukkig was de huiddikte overal voldoende en werd goedgekeurd na wat kleine laswerkzaamheden. Nadat we alles kaal hadden gemaakt zijn we opnieuw begonnen met een verfsysteem en antifouling. De schroef en schroefas werden nagezien en ook met een minimale tolerantie werd deze goedgekeurd.
Toen het dok weer vol liep was ik zo trots als een pauw natuurlijk. Niks schroothoop, niks wegrotten in een kanaaltje maar terug in nederland en goedgekeurd als varend schip onder CBB keur.

Historisch bedrijfsvaartuig

Wat nu wel of geen historisch bedrijfsvaartuig is moeten we even naar de defenitie kijken. Onder een historisch bedrijfsvaartuig verstaan we een schip (of boot) waarmee voorheen bedrijfsmatig werd gevaren en dat tegenwoordig voor recreatie of bewoning wordt gebruikt. Er zijn in Nederland ongeveer zo’n 6000 historische schepen waarvan er vele aangesloten zijn bij een behoudsorganisatie. Nederland heeft de grootste en best onderhouden verzameling aan varend erfgoed ter wereld.
Een veel gebruikt criterium om vast te stellen dat we over een historisch bedrijfsvaartuig kunnen spreken is, dat het schip ook minimaal 50 jaar oud is. In internationaal verband spreken we van een traditioneel vaartuig. Vaak zie je nog woonschepen welke verbouwde binnenschepen zijn en te herkennen zijn aan hun kenmerkende stalen casco.

Welnu, zo stellen wij van de stichting “Luctor et Emergo”, dat het gelijknamige schip een historisch bedrijfsvaartuig is. Tuurlijk, het heeft zijn oorspronkelijke karakter uit 1926 wat verloren, echter de romp, de spanten, gangboorden, boeg en kont, de roef…zijn allemaal bewaard gebleven kijkend naar z’n oorsprong toen ze van stapel liep. Ook alweer zo’n 55 jaar geleden besloot de weduwe van de toenmalige schipper aan boord te gaan wonen en er een opbouw op te plaatsen. Ze wilde niet van het schip alwaar ze samen met haar man hun brood verdiende. Nog veel later kwam de stuurhut zodat de toenmalige eigenaar comfortabel naar Frankrijk kon varen. Er zijn gelukkig nog zovele karakteristieke zaken bewaard gebleven. Van origine heeft het, de vroeger Risico geheten, schip een mast, giek en zwaarden. Er werden immers vrachten mee gezeild.

Enkele jaren geleden is gestart met het intimmeren van het schip. Naar het zich toen uit liet zien zou het schip gebruikt gaan worden om op te wonen. Zodanig zijn er hutten en een salon in gemaakt. Wel met de toets van begin 1900. Er is veel zichtbaar houtwerk gebruikt in combinatie met vele koperaccenten en accessoires.
Nu dit schip onder de stichting “Luctor et Emergo” valt zal de accommodatie binnen enigszins worden aangepast. De stijl zal niet veranderen. De salon wordt een gezellige algemene ruimte om wat te drinken, te eten, te vergaderen, te recreëren. De hutten worden ietwat aangepast aan de moderne wensen, alsmede de was- en douchegelegenheid. In het beleidsplan>>  hebben we stapsgewijs uitgelegd wat de plannen en intenties zijn.

Heden

Na alle plichtplegingen en de prachtige kerstdagen zijn we al in de overall gesprongen om een start te maken. Allereerst is de huidige salon aan de beurt. Hierin zal een barretje worden gemaakt, een lounche hoek en diverse tafeltjes. Een gezellige plek dus voor de vrijwilligers, donateurs en alle andere geïnteresseerden. Een plek om zeemansverhalen te vertellen, om even te praten met gelijkgestemden, om te praten met collega vrijwilligers, om te praten met de bemanning over het schip en de geschiedenis enz..enz..
Ook de hutten worden voorzien van een tweepersoons slaapgelegenheid en weer helemaal opgefrist naar de maatstaven van weleer. Zo ook de badkamer moet nog worden voorzien van de nodige techniek vooraleer deze in gebruik genomen kan worden.

Ook de stuurhut dient nog te worden afgewerkt, volledig geschuurd en weer netjes in de lak gezet. Wanneer al het bovenstaande gerealiseerd is kunnen we ook gasten ontvangen en onderbrengen. De verwachting is wel dit alles gerealiseerd te hebben voor het aankomende vaarseizoen 2020.

Wanneer het vaarseizoen is gestart zal er ook weer worden gevaren. Uiteraard heeft Hellevoetsluis de primeur omdat het de thuishaven is maar ook de rest van Nederland kan kennismaken met dit schip. Diverse tochten staan al voorzichtig op de planning alsmede het bezoeken van diverse evenementen.

Desalniettemin gaat het onderhoud gewoon door. Al dan niet varend. Erg leuk ook voor vrijwilligers en bemanning om al varend alle taken uit te voeren.
Tevens staan er nog wat constructurele zaken op de planning. Graag willen we dit schip weer voorzien van een mast, giek en zwaarden. Hiermee brengen we nog meer de oorsprong terug. Natuurlijk is alles afhankelijk van donateurs en minstens net zo belangrijk de vrijwilligers. Samen met een enthousiaste groep mensen maken we ons sterk voor het behoud van dit prachtige 94 jaar oude schip.
Ook voor stagiaires, mensen die dreigen in een isolement te geraken, ouderen met nog heel veel kennis, mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of mensen met een beperking is de “Luctor et Emergo” de plek om samen te komen, samen te werken, samen kennis over te dragen en te ervaren dat eenieder er toe doet binnen een prachtig initiatief als deze.

Zowel op de website als in de “Luctor Courant” publiceren we steeds de vorderingen en plannen. We houden jullie op de hoogte en wellicht….. tot ziens deze zomer aan boord.